Het Gouden Tijdperk van Capoeira
Door mestre Nestor Capoeira
Sommigen denken dat het “gouden tijdperk” van capoeira is bereikt in de marginale periode van Manduca Da Praia en de bendes van de Guaiamus en de Nagoas in Rio de Janeiro, in de tweede helft van de negentiende eeuw. Of met Nascimento Grande en de carnavalsbands van Espanha en Quarto in Recife, begin 1900. Of nog iets later, toen Besouro Mangangá de orde verstoorde in Bahia.
Velen verzekeren dat capoeira haar “gouden periode” beleefde toen mestre Pastinha en mestre Bimba nog jong waren, in de jaren dertig en veertig in Salvador. Anderen, van mijn generatie, denken met heimwee terug aan hun jeugd in de jaren zestig en zijn ervan overtuigd dat men toen een capoeira speelde en leefde die de “gouden medaille” waard was. En dat toen, vanuit de sequenties van Bimba, de onderwijsmethode is samengesteld die tot nu tot door iedereen wordt gebruikt– spelers van regional én angola: warming up, trainen van trappen met de leraar voor de groep, trainen van vooraf bepaalde sequenties in paren, lichaamsversterkende oefeningen. Om nog niet te spreken van andere uitvindingen van die tijd, zoals het verplichte gebruik van een ‘uniform’, logo’s voor scholen en gradatiesystemen van koorden, de capoeiraleraar die steeds meer begon te lijken op een sportleraar en verder af stond van de traditionele karakter van de ‘vadiaçâo’ , en andere zaken.
Vanaf toen groeide en expandeerde capoeira zich op een ongelooflijke manier, in Brazilië en erbuiten. Toen ik begon met mestre Leopoldina in de jaren zestig waren er een tiental leraren in heel de staat Rio de Janeiro. Nu, alleen al in de stad Rio, zijn we met hoevelen? Duizend? Tweeduizend? Vijfduizend?
Capoeira in het buitenland? Niemand kon zich zoiets voorstellen en toen ik naar Europa ging, alleen en op eigen houtje in 1971, was er nog niemand die daar lesgaf. Vandaag de dag zijn we met hoevelen? Tweehonderd in Europa, tweehonderd in de VS en nog eens honderd verspreid over de rest van de wereld? Of het dubbele daarvan?
Velen van mijn generatie, nu zo’n vijfenvijftig jaar oud en met veertig jaar ervaring in capoeira, vinden dat capoeira is gegroeid maar ook veel van z’n “Axé” is verloren. De jongere generaties kennen de historie niet, volgens veel van mijn collega’s (of blijven de versie napapegaaien die hen in hun school werd geleerd); ze staan buiten het ritueel (of imiteren alleen maar de externe vorm van het ritueel, zonder te beseffen dat het verder gaat dan de gekopieerde externe vorm); ze hebben een extreem gelimiteerde visie en denken dat hun academie en groep het centrum van het universum is, zonder de rijkdom van het totaal aan verschillende segmenten in capoeira op te merken, in Brazilië en erbuiten. Misschien heeft deze oude garde gedeeltelijk gelijk. Maar wat ze vergeten is dat toen wij jong waren, we net zulke stomkoppen waren als de jongeren van nu. Wij hadden ook een hele nauwe blik op veel dingen. Het was de tijd waarin capoeira onze ogen en verstand opende (helaas, niet bij iedereen).
Zoals ik zei ging ik voor het eerst naar het buitenland in 1971. Ik heb daar tijdens verschillende verblijven in totaal acht jaar gewoond. Nog steeds vertrek ik elk jaar weer en doe ik een rondje Europa. Ik ben net weer terug: vier maanden, twaalf steden, zeventien workshops.
En ik kom maar niet van de gedachte af dat het “Gouden Tijdperk” van capoeira nu moet zijn. Ik geloof ook, dat iedere capoeirista van het verleden liever nu op dit moment zou hebben geleefd dan in de tijden die achter ons liggen. Het technische niveau is over het algemeen bijzonder goed en er is een grote hoeveelheid aan fantastische spelers, in alle stijlen. Het ritueel wordt in veel segmenten van capoeira gewaardeerd, afgezien van het feit dat de meerderheid het niet ‘echt’ begrijpt, omdat ze de ‘fundamenten’ nog niet hebben beleefd (hoewel ze zelf claimen de enigen te zijn die de “ware capoeira kennen”, terwijl ze slechts het ritueel en enkele bewegingsvormen in het het spel imiteren, mechanisch aangeleerd in de les of gekopieerd van hun leraar). Maar de waarheid is, in mijn visie, dat in de jaren zeventig en tachtig, toen de regional/senzala stijl domineerde, meer dan negentig procent van de capoeiristas ‘gelijksoortig’ speelde, de een beter
dan de andere, en dat ze bovendien nog lang niet met de tradities bezig waren.
Dus het “Gouden Tijdperk” is nu.
Speciaal omdat na 1970 de vrouwen capoeira binnenkwamen. Voor 1970 waren het alleen mannen. Kun je je voorstellen hoe een training eruit zag – een groep in het zweet badende bebaarde mannen met hun vreselijke macho-praatjes? Er was geen bal aan, kameraad.
Het “Gouden Tijdperk” is nu, en meer specifiek in Europa.
Waarom Europa? Omdat, om te beginnen, de twee- of driehonderd capoeiras die na 1971 het karakter en de moed hadden om daarheen te emigreren, in het algemeen avontuurlijkere zielen waren dan degenen die thuis bleven. Dat is op zich al iets waard.
Daarna, aangekomen en geconfronteerd met een andere culturen en waarden, moesten ze zich aanpassen aan een nieuwe manier om met leerlingen en vrouwen om te gaan. Ze moesten hun ideeën verruimen om mee te kunnen praten over ‘alternatieve cultuur’ en ‘historisch proces’, dingen die hun leerlingen in de boeken over capoeira lazen die in het buitenland werden gepubliceerd en die ze kwamen vragen aan hun leraar.
Ze moesten, om te overleven, veel aspecten leren en onderwijzen die ze nog niet kenden.
En nog meer: om shows te kunnen geven moesten ze rekening houden met andere capoeiristas, die vaak van groepen kwamen die elkaar in Brazilië niet goed lagen. Oftewel, deze gasten moesten samenleven met de ‘vijand’. En door die samenwerking bleek dat de vijandelijkheden van groep tot groep alleen maar kletspraat was en gebrek aan volwassenheid van de meesters en chefs van die groepen. Wat nu belangrijker werd, was niet de groep, maar of de persoon zelf van goede aard was, of hij OK was of niet.
Dus ze moesten wel. De groep die daar in het buitenland woont kreeg op die manier een goede educatie opgelegd. Ze ontwikkelden zich. Groeiden.
Ik heb het hier niet over de mensen die een kort pretreisje maken, een paar lessen geven en snel terugkeren naar Brazilië, om later nog eens terug te gaan om nog wat geld te verdienen. Ik heb het over de groep leraren die daar leeft. Die personen hebben een andere visie en alles wat ze doen heeft een aura van kwaliteit die je hier in Brazilië niet tegenkomt. De bijeenkomsten, workshops en batizados zijn meestal iets kleiner dan hier, maar de kwaliteit en het plezier is over het algemeen groter. Op de workshops (intensieve lessen van soms zes uur, die een week kunnen duren), krijgen de leerlingen les van leraren van verschillende groepen en stijlen. De leerlingen ontvangen veel verschillende informatie en het ‘gesloten’ (en paranoïde) idee dat je hier in Brazilië ziet, waarbij leerlingen alleen in hun eigen groep en stijl leskrijgen, bestaat daar niet. ’s Avonds staat er feest, gezelligheid en veel geflirt op het officiële programma.
Het feit dat capoeira al dertig jaar in het buitenland wordt onderwezen zal nog een verandering in het panorama teweegbrengen. Niet alleen doordat de leraren die daar wonen een bredere visie hebben dan die in Brazilië. Maar ook omdat er buitenlandse leraren zullen verschijnen - er zijn er al enkele - die niet eens direct verbonden zijn aan een Braziliaanse meester. Gelukkig heeft de meerderheid van deze buitenlanders respect voor capoeira en willen ze haar steeds beter leren kennen (ervan afgezien dat ze lang niet alle Braziliaanse meesters respecteren, en vaak terecht).
De meerderheid, hoewel (nog) niet altijd op een hoog technisch niveau, doed goed en eerlijk werk in het lesgeven en verspreiden van capoeira. Dat is een geluk.
Ik heb deze film al eens eerder gezien: in de jaren zestig, toen capoeira (dat bijna alleen in Bahia werd gespeeld en bijna alleen door Bahianen) zich uitbreidde naar Rio en São Paolo, en daarna naar andere steden. De Bahianen waren zeer verontrust en lieten niet toe dat capoeira werd onderwezen door anderen dan zijzelf. Hetzelfde staat nu te gebeuren, in de jaren 2000, alleen tussen Brazilianen en buitenlanders.
Maar de capoeira, onafhankelijk van Bahianen of Brazilianen, heeft haar eigen weg en haar eigen manieren om zich uit te breiden. En wie vooroploopt – pas op, malandragem – wordt onder de voet gelopen.
Bron: Revista Capoeira, maart 2001, vertaald door Guido "Salsicha" Heijmans